Door: Natascha Schenk

Stel, je bent 59 jaar en je wordt ziek. Zo ziek dat je je werk niet meer kunt doen. Na twee jaar ziekte vraag je een WIA-uitkering aan. Die wordt geweigerd omdat je minder dan 35% arbeidsongeschikt bent. Als je geen nieuw werk vindt, kun je weinig anders doen dan een WW-uitkering aanvragen. Maar die is maximaal 24 maanden. Wat doe je in de periode daarna tot aan je AOW-leeftijd?!

IOW-uitkering
Als je op de eerste WW-dag minimaal 60 jaar en 4 maanden oud was, en een WW-uitkering kreeg van tenminste 3 maanden, dan kun je na het eindigen van de WW-uitkering een IOW-uitkering krijgen.

Die uitkering kun je aanvragen bij het UWV. Je krijgt de uitkering niet automatisch! De uitkering is nooit hoger dan het sociaal minimum dat voor alleenstaanden geldt (€ 1.266,29 bruto per maand) en duurt tot je AOW-leeftijd. Bij deze uitkering wordt er niet gekeken naar het vermogen dat je hebt. Spaargeld, auto en de waarde van je huis etc. blijven buiten beschouwing.

IOAW-uitkering
Wat een pech als je net géén 60 jaar en 4 maanden was op de eerste WW-dag! Dan kun je geen IOW-uitkering krijgen. Maar misschien wel een IOAW-uitkering. Voor die uitkering moet je geboren zijn vóór 1 januari 1965. De IOAW vult het gezinsinkomen aan tot aan het sociaal minimum en duurt tot de AOW-leeftijd. Je vraagt hem aan bij het UWV en die stuurt de aanvraag door naar de gemeente waar je woont.

PAWW
Vroeger was de WW-uitkering maximaal 38 maanden. Toen dit werd verlaagd naar 24 maanden is afgesproken dat werkgevers deze versobering kunnen repareren. Daarvoor is de Stichting PAWW in het leven geroepen. Werkgevers kunnen zich daarbij aansluiten. Heeft jouw werkgever dat gedaan? Dan kun je na het eindigen van de WW-uitkering nog een PAWW-uitkering krijgen. Die uitkering is net zo hoog als de WW-uitkering en duurt maximaal 14 maanden.

Tip!
Voor al deze uitkeringen geldt dat je ze zelf moet aanvragen. Doe je niets? Dan krijg je ook de uitkering niet. Laat je dus goed informeren!

De Centrale Raad oordeelde recent in een zaak waarbij de IOAW-uitkering pas enkele weken na het eindigen van de WW-uitkering werd aangevraagd. De IOAW werd toegekend per de aanvraagdatum en dus niet vanaf het einde van de WW.

De Centrale Raad vond niet dat het UWV hem had moeten wijzen op de mogelijkheden van de IOAW en oordeelt dat het de eigen verantwoordelijkheid is van betrokkene om zich te laten informeren over zijn uitkeringsrechten.

Achtergrondinformatie
Deze blog schreef ik naar aanleiding van deze uitspraak van de Centrale Raad over de late IOAW-aanvraag: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1437

Meer weten over de IOW-uitkering? Kijk dan hier: https://www.uwv.nl/particulieren/overige-onderwerpen/iow-uitkering

Meer weten over de IOAW-uitkering? Kijk dan hier: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/uitkering-oudere-werklozen-ioaw-iow-ioaz/vraag-en-antwoord/kom-ik-in-aanmerking-voor-een-ioaw-uitkering

Meer weten over het verschil tussen de IOW en de IOAW-uitkering? Kijk dan hier: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/uitkering-oudere-werklozen-ioaw-iow-ioaz/ioaw-iow-ioaz-uitkering

Meer weten over de uitkering vanuit Stichting PAWW? Kijk dan hier: https://spaww.nl/werknemers/kom-ik-in-aanmerking/



Door: Natascha Schenk

Hoeveel weet jij over de vervoersvoorzieningen van het UWV? Als jij je bezig houdt met het begeleiden van mensen naar passend werk, kan het best handig zijn om daar wat meer over te weten. De vervoersvoorziening is namelijk niet alleen voor mensen met een uitkering van het UWV. Ook zonder uitkering kun je recht hebben op zo’n voorziening. Ik vertel je er meer over!

Wat is het?
UWV verstrekt de volgende typen vervoersvoorzieningen:
* (aangepast) vervoermiddel in bruikleen;
* (rolstoel)taxivergoeding;
* kilometervergoeding;
* aanpassing van een eigen vervoermiddel;
* vergoeding voor de aanschaf en het gebruik van een bijzonder type auto;
* vergoeding van de meerkosten voor autorijles in een aangepaste auto.

Voor wie is het?
De vervoersvoorziening valt in de categorie “werkvoorziening”. Voor dit type voorziening is vereist dat de klant een “structurele functionele beperking” heeft. Het UWV beoordeelt of daarvan sprake is. Is dat het geval? Dan beoordelen zij daarna of de inzet van een voorziening noodzakelijk is. Omdat het hier gaat om een “werkvoorziening” is het alleen mogelijk om deze te krijgen als je daadwerkelijk aan het werk gaat en de voorziening daarvoor nodig hebt. Dit kan werk in loondienst zijn, een proefplaatsing maar het geldt ook voor werkzaamheden als zelfstandige.

Het hebben van een UWV-uitkering is dus niet vereist!

Moet je er zelf ook aan meebetalen?
Ja, in veel gevallen geldt een eigen bijdrage en ook is er een inkomensgrens. Op de site van het UWV vind je die bedragen terug. De links daarnaar voeg ik in de comments toe.

Mag je zelf kiezen welke voorziening het meest passend is?
Nee, dat kan niet. Het UWV vergoedt de goedkoopste, adequate voorziening. Zijn er twee voorzieningen mogelijk? Dan kiest het UWV de goedkoopste voorziening.

Wat vergoedt het UWV niet?
Voorzieningen die op grond van andere wettelijke regelingen vergoed kunnen worden, worden niet door het UWV verstrekt. Voorzieningen die de werkgever op basis van de arbowetgeving moet verstrekken bijvoorbeeld. Of hulpmiddelen die verkrijgbaar zijn op grond van de Zorgverzekeringswet.

Tip!
Recent oordeelde de rechtbank Gelderland over een afgewezen vervoersvoorziening. Die werd afgewezen omdat bij de eerstejaars ZW-beoordeling en de WIA-beoordeling geen beperking werd aangenomen op het FML-item “vervoer”. Dat is volgens de rechtbank onvoldoende.

Laat je dus niet weerhouden van het doen van een aanvraag, alleen omdat je op jouw FML géén beperking hebt ten aanzien van “vervoer”!

Meer lezen?
De vervoersvoorziening van het UWV is wettelijk geregeld in artikel 35 Wet WIA. Daarnaast is de voorziening nog uitwerkt in verschillende besluiten:
* reintegratiebesluit: https://wetten.overheid.nl/BWBR0019152/2021-07-01/0
* reintegratieregeling: https://wetten.overheid.nl/BWBR0019297/2022-01-01/0
* protocol voorzieningen UWV 2021: https://wetten.overheid.nl/BWBR0046028/2021-12-16/0#Artikel1

De uitspraak van de rechtbank Gelderland waarnaar ik verwijs, kun je hier terugvinden: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:1128

Zoals ik al schreef, zijn er ook een aantal financiële “spelregels”. Die vind je op de site van het UWV:
* vergoeding kosten woon-werkverkeer: https://www.uwv.nl/particulieren/overige-onderwerpen/normbedragen-voorzieningen/kosten-woon-werkvervoer/index.aspx
* drempelbedrag: https://www.uwv.nl/particulieren/overige-onderwerpen/normbedragen-voorzieningen/detail/drempelbedrag-voorzieningen
* inkomensgrens voor vervoersvoorziening: https://www.uwv.nl/particulieren/overige-onderwerpen/normbedragen-voorzieningen/inkomensgrenzen-voor-vervoersvoorzieningen/index.aspx


Door: Natascha Schenk

Periodes van ziekte mag je bij elkaar optellen als er tussen die ziekteperiodes minder dan vier weken zit. Dat is belangrijk om te weten omdat de werkgever je gedurende 104 weken ziekte loon moet betalen en je daarna recht kan hebben op een WIA-uitkering. Maar hoe zit dat nou precies met dat samentellen? Is het bijvoorbeeld vereist dat je feitelijk gedurende vier weken je eigen werk volledig weer hebt gedaan?

Onderbreking telt niet mee
Bij de berekening van de 104 weken periode tel je alleen de ziekteperiodes bij elkaar op. De onderbreking zelf tel je niet mee.

Voorbeeld
Werknemer is:
* ziek van 3 januari 2022 t/m 3 juli 2022;
* niet ziek van 4 juli 2022 t/m 24 juli 2022;
* ziek vanaf 25 juli 2022.

Oorspronkelijk eindigde de periode van 104 weken op 1 januari 2024. Vanwege de onderbreking en de samentelling eindigt die periode nu op 22 januari 2024. Dit ongeacht of de ziekteoorzaak van de tweede ziekmelding dezelfde is!

Wachtdagen
Gelden er wachtdagen? Dan mogen die maar één keer toegepast worden. Wordt een werknemer dus opnieuw ziek binnen vier weken na zijn laatste ziekteperiode? Dan mag je bij de tweede ziekmelding géén wachtdagen toepassen.

Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Voor de onderbreking van vier weken mag je periodes van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meetellen.

Dit betekent voor een werkneemster die
* binnen twee weken na herstel met zwangerschaps- en bevallingsverlof gaat,
* na afloop daarvan gedurende één week weer aan het werk is, en
* vervolgens weer ziek wordt,
dat de periodes van ziekte bij elkaar worden opgeteld. Er begint dus geen nieuwe periode van 104 weken.

Feitelijk het werk verrichten
Het Gerechtshof Den Haag heeft in 2016 al eens expliciet aangegeven dat voor een onderbreking van de ziekteperiode niet nodig is dat de werknemer ook feitelijk zijn werk heeft verricht in die vier weken. Dat klinkt wellicht vreemd, maar dat zit zo.

De wet vereist niet dat de werknemer feitelijk het werk weer heeft opgepakt maar alleen dat “de verhindering het werk te verrichten” niet langer het gevolg is van ziekte. De rechtbank Gelderland heeft dat later nog eens verduidelijkt. Van een onderbreking is dus sprake als:
* de werknemer het werk volledig heeft hervat; of
* de werknemer het werk niet (volledig) heeft hervat maar de reden daarvan een andere is dan ziekte.

Tip!
Ben je van mening dat er tussen jouw ziekmeldingen een onderbreking zit van minimaal vier weken en dat er om die reden een nieuwe periode van 104 weken is gestart? Realiseer je dan dat op jou als werknemer de stelplicht en eventueel de bewijslast rust.

Krijg je onenigheid hierover met je werkgever? Laat je dan goed adviseren door een (juridisch) adviseur die je kan vertellen wat die stelplicht en bewijslast inhouden en hoe je daaraan kan voldoen.

Meer weten?

De samentellingsregeling vind je in artikel 7:629 lid 10 BW: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005290/2022-10-01/0#Boek7_Titeldeel10_Afdeling2_Artikel629

Dat de werkgever gebruik mag maken van wachtdagen, is geregeld in artikel 7:629 lid 9 BW.

Het voorbeeld mbt tot de onderbreking door zwangerschaps- en bevallingsverlof komt rechtstreeks uit de Memorie van toelichting op artikel 7L629 lid 10 BW. Je kunt die hier terugvinden: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27826-3.html (p.3).

Uitspraak van het Gerechtshof Den Haag nalezen? Dat kan hier: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:1538 (r.o. 12).

De uitspraak van de rechtbank Gelderland vind je hier: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2020:2992 (r.o. 4.1.2)

Door: Natascha Schenk

Als je een ZW-uitkering ontvangt, ben je verplicht passende arbeid te accepteren als je die aangeboden krijgt. Dat geldt ook als jouw ZW-uitkering van jouw ex-werkgever komt die eigenrisicodrager is. Accepteer je de passende arbeid niet? Dan kan een maatregel op je uitkering toegepast worden. Wat die maatregel precies is, en hoe dat in zijn werk gaat als je ex-werkgever eigenrisicodrager is, dat lees je hieronder.

Maatregel
Weiger je passende arbeid te verrichten, dan wordt het loon dat je had kunnen verdienen (als je de passende arbeid wél verricht had) van jouw ZW-uitkering afgetrokken.

Taken eigenrisicodrager
De ZW-eigenrisicodrager mag deze maatregel niet zelf opleggen. Dat mag alleen het UWV. Vindt de eigenrisicodrager dat een maatregel opgelegd moet worden, dan kan hij dit besluit voorbereiden en het UWV verzoeken een maatregel op te leggen.

Zorgvuldig
Het voorbereiden van zo’n verzoek gaat via een UWV-formulier. Dat moet nogal secuur gedaan worden. Kruis je op dat formulier het verkeerde vakje aan, of verstrek je niet alle relevante informatie, dan kan dat een hoop ellende opleveren voor de eigenrisicodrager.

Voorbeeld
Zo was er een eigenrisicodrager die, naar aanleiding van het weigeren van passende arbeid, het hokje aankruiste: “geen recht (meer) op uitkering” in plaats van “gedeeltelijke weigering ZW ten gevolge van maatregel”. Dat vond de rechtbank Den Haag onzorgvuldig en mede daarom kon de maatregel niet in stand blijven.

De Centrale Raad oordeelde eerder al dat het onzorgvuldig was om het UWV te verzoeken de ZW-uitkering te schorsen vanwege een verhuizing naar het buitenland, zonder daarbij het nieuwe adres te vermelden.

Rechtsmiddelen
Word je als zieke ex-werknemer geconfronteerd met zo’n maatregel? Dan kun je binnen zes weken in bezwaar gaan tegen dat besluit bij het UWV. Je hoeft je dus niet te wenden tot de eigenrisicodrager of de civiele rechter!

Tip!
Ben je ZW-eigenrisicodrager? Dan doe je er verstandig aan je goed te laten informeren over de juiste maatregel. De gepaste maatregel is niet altijd makkelijk te vinden in de wetgeving dus schakel juridische hulp in!

Krijg je als zieke ex-werknemer een besluit van het UWV met een maatregel? Kijk dan heel goed naar de wijze waarop dat besluit is voorbereid en of de juiste maatregel is opgelegd. Er zijn verschillende uitspraken bekend waarin een onzorgvuldige voorbereiding uiteindelijk leidt tot vernietiging van de maatregel.

Achtergrondinformatie
De verplichting om passende arbeid te zoeken en te aanvaarden staat in artikel 30 lid 1 ZW. Weiger je passende arbeid te verrichten, dan wordt het loon dat je had kunnen verdienen (als je de passende arbeid wél verricht had) van jouw uitkering afgetrokken. Dat is geregeld in artikel 30 lid 2 ZW.

De bevoegdheid om besluiten voor te bereiden is te lezen in artikel 63a ZW.

Een andere relevante regeling in dit kader is de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW: https://wetten.overheid.nl/BWBR0027022/2018-07-01

Wil je de uitspraak van de rechtbank Den Haag nalezen? Die vind je hier: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:13675 Deze uitspraak is overigens ook interessant omdat de rechtbank hierin overweegt dat geen sprake was van passende arbeid omdat het werk werd aangeboden met een opbouwschema (r.o. 3.2). De maatregel kon dus ook om die reden niet in stand blijven.

De uitspraak van de Centrale Raad waarnaar ik verwijs, kun je hier lezen: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2485

Door: Natascha Schenk

De hoofdregel is dat je tijdens de re-integratie van je zieke werknemer ten minste éénmaal een tweede spoortraject inzet en afrond. Daarmee start je, in principe, binnen zes weken na de eerstejaars evaluatie. Maar wat als jouw zieke werknemer om medische redenen pas veel later kan starten met het tweede spoortraject? Wat kan dan in redelijkheid nog verwacht worden qua inhoud van dat traject?

Uitstel tweede spoor
Het tweede spoortraject kan uitgesteld worden als de zieke werknemer op het moment van de eerstejaars evaluatie géén benutbare mogelijkheden heeft. Verbetert de situatie van je zieke werknemer en zijn er weer benutbare mogelijkheden? Dan moet uiterlijk binnen acht weken een tweede spoortraject gestart worden.

Opstarten en afronden
Het uitgangspunt is dat een tweede spoortraject voor het einde van de wachttijd opgestart en afgerond is. Afronden kan niet altijd. Bijvoorbeeld als het traject om medische redenen pas veel later kon starten. In dat geval is het enkel opstarten van het traject ook voldoende. Onder “opstarten” wordt in dat geval verstaan:
* ingekocht, en
* ingezet.

Casus
Werknemer kon pas beginnen met het tweede spoortraject op 10 december 2018 terwijl op 26 januari 2019 het einde van de wachttijd werd bereikt. Het UWV erkent dat het traject niet eerder kon starten maar vindt het ingezette traject niet adequaat. Het is namelijk niet duidelijk op welke wijze de afstand van de werknemer tot de arbeidsmarkt wordt verkleind. De werkgever krijgt daarom een loonsanctie.

Centrale raad
Daar gaat de Centrale Raad niet in mee! Het re-integratieplan van het tweede spoortraject voldoet aan de eisen die daarvoor gelden. Het bevat:
* een vastgesteld persoonsprofiel;
* een beredeneerd zoekprofiel;
* een overzicht van de rapportagemomenten.

Dit kan allemaal “afgevinkt” worden. In de relatief korte periode die er was voor het tweede spoortraject, is het volgende gedaan:
* persoonsprofiel gemaakt;
* beroepskeuzetest gedaan;
* tweewekelijks coachingsgesprekken gevoerd;
* ondersteuning bij het maken van sollicitatiebrieven en CV;
* vacaturetool aangereikt;
* tweemaal gesolliciteerd en contact gelegd met de werkgevers van die vacatures.

De Centrale Raad meent dat in redelijkheid niet van de werkgever verwacht kon worden dat hij in deze korte tijd óók nog stappen zette om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. De loonsanctie kan dus niet in stand blijven!

Tip!
Begint jouw zieke werknemer ook later met een tweede spoortraject? Zorg dan dat in ieder geval bovenstaande activiteiten worden verricht. Je kunt niet álles doen, dat is duidelijk. Maar je zal de beperkte tijd die je hebt, wel goed moeten benutten.

Meer weten?

Deze blog schreef ik naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Die uitspraak vind je hier: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2079 (vooral rechtsoverweging 4.3 en 4.4 zijn interessant!).

Dat een tweede spoortraject uitgesteld kan worden als er géén benutbare mogelijkheden zijn, lees je op pagina 12 van de Werkwijzer Poortwachter (alinea 4.3.2). Daar vind je ook de genoemde termijn van acht weken.

Dat bij een later gestart tweede spoortraject het voldoende is om deze “ingekocht en ingezet” te hebben, vind je terug op pagina 29 van de Werkwijzer Poortwachter (alinea 10.2.3).

Door: Natascha Schenk

Als je werkgever een loonsanctie van het UWV krijgt omdat hij niet voldoende aan re-integratie heeft gedaan tijdens jouw ziekte, moet de werkgever je nog een jaar extra in dienst houden. Maar wat als jij dat niet wilt? Wat nou als jij gewoon afscheid wilt nemen van de werkgever. Kun je dan een vaststellingsovereenkomst tekenen?

Benadelingshandeling
Het korte antwoord daarop: nee, niet als jij direct aansluitend een uitkering van het UWV wilt ontvangen. Als jij instemt met de beëindiging van jouw dienstverband tijdens de loonsanctieperiode pleeg je een benadelingshandeling. Door in te stemmen heb je namelijk “nodeloos de werkloosheid vervroegd”. Dat staat in artikel 24 lid 10 WW. 

Gevolg
Ga je toch akkoord met de beëindiging van jouw dienstverband? Dan kun je niet direct een WW-uitkering krijgen. Het UWV weigert in dat geval de WW-uitkering toe te kennen over de periode dat de loonsanctie nog zou duren. Dat kun je teruglezen in de “Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW”.

Onderhandelingen
Het is niet ondenkbaar dat je al langer met je werkgever aan het onderhandelen bent over jouw uitdiensttreding. Wellicht ben je daarmee al gestart nádat je de WIA-aanvraag deed maar vóórdat het UWV een loonsanctie oplegde. Maakt dat nog verschil in de beoordeling van het UWV? Nee! De Centrale Raad heeft zich over die situatie al eerder uitgesproken. 

Praktijkvoorbeeld
In die betreffende zaak werd het einde van de wachttijd bereikt op 3 november 2008. De onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst waren al begonnen in juli 2008. Het UWV gaf in augustus 2008 het loonsanctiebesluit af waarna in september 2008 overeenstemming over de vaststellingsovereenkomst werd bereikt. Het dienstverband eindigde, met wederzijds goedvinden, per 1 maart 2009 (terwijl de loonsanctie doorliep tot 2 november 2009). 

Het UWV weigerde per 1 maart 2009 een WW-uitkering toe te kennen en de Centrale Raad liet die weigering in stand.

Tip!
Beëindiging van je dienstverband tijdens de loonsanctieperiode levert je geen aansluitende WW-uitkering op. Ook kun je niet aansluitend een WIA-uitkering aanvragen. De WIA-aanvraag is namelijk opgeschort als gevolg van de loonsanctie. De beëindiging van je dienstverband verandert niets aan die opschorting. Denk dus goed na als je een vaststellingsovereenkomst voorgelegd krijgt tijdens de loonsanctie periode en laat je adviseren over de gevolgen!

Achtergrondinformatie De uitspraak waarnaar ik verwijs in deze post, kun je hier terugvinden: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2010:BO8178

De Beleidsregels van het UWV die in deze post genoemd worden, vind je hier: https://wetten.overheid.nl/BWBR0020335/2007-01-01

De benadelingshandeling uit artikel 24 lid 10 WW kun je hier nalezen: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004045/2022-08-02/0#HoofdstukII_Paragraaf2_Artikel24

Door: Natascha Schenk

Ontzettend vervelend natuurlijk als je een schuld hebt bij het UWV omdat zij jouw WIA-uitkering (gedeeltelijk) terugvorderen. Maar wist je dat er ook mogelijkheden zijn om de schuld bij het UWV kwijt te laten schelden? Dat kan uiteraard niet altijd, maar er zijn wel degelijk regels waarop jij je kan beroepen als je een verzoek om kwijtschelding doet. De belangrijkste regels lees je hieronder.

50% in een keer
Betaal je in één keer ten minste 50% van je totale schuld aan het UWV? Dan kan het UWV besluiten het resterende bedrag kwijt te schelden. Het UWV zal daar overigens alleen mee akkoord gaan als de betaling die je doet, gelijk is aan het bedrag dat je anders gedurende drie jaar of vijf jaar zou hebben betaald.

3 jaar
In sommige gevallen kan na drie jaar verzocht worden om kwijtschelding. Dat is het geval als:
* je gedurende drie jaar aan je betalingsverplichting hebt voldaan; en
* je inkomen in die drie jaar niet boven de zogenaamde “beslagvrije voet” is geweest; en
* de terugvordering van de uitkering niet het gevolg was van schending van de informatieplicht.

5 jaar
Als je gedurende vijf jaar volledig aan je terugbetalingsverplichting hebt voldaan, kun je ook op dat moment een kwijtscheldingsverzoek indienen. 

10 jaar
Was de reden van de terugvordering van jouw uitkering dat je je niet aan de informatieplicht hebt gehouden, dan kun je pas na tien jaar verzoeken om kwijtschelding van het nog openstaande bedrag. 

Dringende reden
Als laatste is het goed om te weten dat het UWV kan afzien van terugvordering als daarvoor een dringende reden is. Wat daaronder precies verstaan wordt, dat is niet in de wet vastgelegd. Volgens de Centrale Raad is vereist dat sprake is van “onaanvaardbare (financiële of sociale) gevolgen” en dat wordt maar zelden aangenomen..

Andere uitkeringen
Ook voor andere UWV-uitkeringen geldt dat jouw schuld kwijtgescholden kan worden. Bovenstaande regels zijn vastgelegd in artikel 77 Wet WIA, maar in de andere wetten staan vergelijkbare regels:
* artikel 33 Ziektewet;
* artikel 36 WW;
* artikel 3:56 Wet Wajong;
* artikel 20 Toeslagenwet.

Tip!
In de Beleidsregel die het UWV hanteert bij de vraag of de restschuld kwijt gescholden kan worden, staat dat dit alleen kan als ten minste de helft van de schuld is afbetaald. De rechtbank Midden-Nederland heeft in een recente uitspraak geoordeeld dat deze Beleidsregel alleen gebruikt mag worden als het UWV uit zichzelf besluit de kwijtscheldingsmogelijkheden te beoordelen. Doe je zelf een verzoek tot kwijtschelding, dan is deze Beleidsregel niet van toepassing! Het UWV kan je verzoek na 3, 5 of 10 jaar dus niet afwijzen omdat je nog niet de helft van de totale schuld hebt terugbetaalt. Let hier dus goed op als je een kwijtscheldingsverzoek doet.

Meer lezen hierover?
Deze blog schreef ik naar aanleiding van een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de terugvordering van een toeslag op grond van de Toeslagenwet: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:4164.

Interessant hierin is dus vooral de conclusie in r.o. 6:
“Artikel 4.1.2 van de Beleidsregel schrijft namelijk alleen voor onder welke voorwaarden het Lisv ambtshalve beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding. Deze zaak gaat niet over de vraag of het Lisv ambtshalve moet beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor kwijtschelding, maar gaat over een verzoek van eiseres aan het Uwv om kwijtschelding van haar vordering. Voor de beoordeling of het Uwv bevoegd is om de vordering kwijt te schelden, moet worden gekeken naar artikel 20, tweede en derde lid van de TW. Het Uwv heeft artikel 4.1.2 van de Beleidsregel dus ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.”

Het UWV gebruikt bij de beoordeling van een mogelijke kwijtschelding de “Beleidsregel terug- en invordering”. Deze beleidsregel uit 1999 (!) is nog altijd van toepassing. Je kunt de tekst daarvan hier terugvinden:
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1998-90-p9-SC13857.pdf

Door: Natascha Schenk

Als je je baan opzegt tijdens ziekte, is het algemeen bekend dat je dan géén recht hebt op een uitkering. Maar wat nu als je je baan opzegt en je ná die opzegging ziek wordt? Heb je dan recht op een uitkering van het UWV zodra je baan eindigt? Ja! Dat zit zo.

WW
Je hebt in dit geval géén recht op een WW-uitkering. Het feit dat je je baan zelf hebt opgezegd, is namelijk een benadelingshandeling in de zin van artikel 24 WW. Alleen als aan voortzetting van je dienstverband “zodanige bezwaren waren verbonden dat voortzetting rederlijkwijs niet verlangd kan worden”, kun je recht hebben op een WW-uitkering nádat je zelf hebt opgezegd.

ZW
Een ZW-uitkering kun je wél krijgen. In het kader van de ZW is namelijk alleen sprake van een benadelingshandeling als je opzegt tijdens ziekte, niet als je opzegt vóór je ziekmelding.

In de woorden van de Centrale Raad: “… er is sprake van een benadelingshandeling in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden.”

Heb je de opzegging dus gedaan voordat je ziek werd? Dan was het arbeidsongeschiktheidsrisico nog niet ingetreden en heb je geen benadelingshandeling gepleegd.

In de praktijk
De Centrale Raad oordeelde vorige week in een zaak waarin werkneemster op 12 juni haar baan opzegde en zich op 18 juni ziek meldde. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe maar de ex-werkgever verzette zich daartegen. Volgens de ex-werkgever heeft de werkneemster bewust het risico genomen dat zij bij ziekte een beroep zou moeten doen op de ZW en is daarom sprake van een benadelingshandeling.

De Centrale Raad gaat daarin niet mee. De ziekmelding van werkneemster was een onvoorziene omstandigheid en daarom is er geen benadelingshandeling. Ook al deed werkneemster haar werk op 12 juni met tegenzin en veel negatieve gevoelens. 

Tip!
Heb je als werkgever met zo’n situatie te maken? Denk dan niet dat je niets hoeft te doen aan reintegratie omdat de werknemer toch zelf heeft opgezegd en het dienstverband snel eindigt! Je loopt dan het risico van een ZW verhaalsanctie. Laat de ziekmelding dus beoordelen door de bedrijfsarts en volg de (reintegratie)adviezen op.

Uitspraak nalezen?
Deze blog schreef ik naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. In die uitspraak oordeelde de Centrale Raad dat aan werkneemster terecht een ZW-uitkering was toegekend, ook al had zij zes dagen voor haar ziekmelding haar dienstverband opgezegd. De uitspraak kun je hier terug vinden: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2272

Door: Natascha Schenk

Zodra de werknemer een WIA-aanvraag indient, zal het UWV de RIV-toets doen. Daarmee worden de re-integratie-inspanningen van de werkgever beoordeeld. Er geldt een strikt stappenplan dat gevolgd wordt en op basis waarvan besloten wordt of de werkgever een loonsanctie moet krijgen. Maar hoe ziet dat stappenplan eruit en wordt zowel de arbeidsdeskundige als de verzekeringsarts betrokken bij de RIV-toets?

Stappenplan
De Werkwijzer Poortwachter laat de toetsingsvolgorde zien:
1. Alle voorgeschreven documenten in het re-integratieverslag aanwezig?
2. Zo ja, is sprake van een bevredigend re-integratieresultaat?
3. Zo nee, zijn de re-integratie-inspanningen voldoende?
4. Zo nee, is daar een deugdelijke grond voor?
5. Zo nee, is het mogelijk om de tekortkomingen te herstellen?

Taakverdeling arbeidsdeskundige en verzekeringsarts
De beoordeling van het re-integratieverslag wordt in eerste instantie uitgevoerd door de arbeidsdeskundige. Die toetst of de werkgever voldoende re-integratieactiviteiten heeft ondernomen. Het startpunt voor de toetsing door de verzekeringsarts is wanneer er medische vragen of onduidelijkheden zijn. Dit stellen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige samen vast in het teamoverleg.

Onduidelijk
Bovenstaande taakverdeling lijkt helder. Toch valt er nog te twisten over de vraag wanneer de verzekeringsarts ingeschakeld moet worden.

De Werkwijzer Poortwachter schrijft namelijk ook voor:

“Inschakeling van de verzekeringsarts is met name verplicht in de volgende situaties:
* De bedrijfsarts heeft een medische urenbeperking gesteld.
* De bedrijfsarts stelde perioden vast waarin geen re-integratiemogelijkheden of marginale mogelijkheden bestonden.
* De bedrijfsarts heeft mogelijk een re-integratiebelemmerend advies aan de werkgever gegeven.”


Betekent dit dat de verzekeringsarts altijd ingeschakeld moet worden als een urenbeperking door de bedrijfsarts is vastgesteld?

Centrale Raad van Beroep
Nee, oordeelt de Centrale Raad. Het zwaartepunt van de RIV-toets ligt namelijk bij de arbeidsdeskundige. Het is pas noodzakelijk een verzekeringsarts in te schakelen als er medische vragen of onduidelijkheden zijn. Als een urenbeperking van de bedrijfsarts niet leidt tot medische vragen of onduidelijkheden, hoeft de verzekeringsarts niet ingeschakeld te worden.

Uitspraak nalezen?

Deze blog schreef ik naar aanleiding van deze uitspraak van de Centrale Raad waarin de taakverdeling tussen de AD en VA verduidelijkt wordt: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1403

Door: Natascha Schenk

Het is al weer een jaar geleden dat het UWV naar buiten bracht dat zij de WIA-voorschotten die zijn betaald aan mensen die te lang wachten op een WIA-beoordeling, niet terugvorderen. Een hele opluchting voor veel mensen! Uit een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland blijkt die vlieger echter niet in alle zaken op te gaan. In sommige gevallen moet (een deel van) het voorschot wél terugbetaald worden. Hoe zit dat?

Persbericht UWV
Op 30 augustus 2021 liet het UWV in een persbericht weten: 

“UWV stopt met het terugvorderen van voorschotten die zijn betaald aan mensen die te lang op een WIA-beoordeling hebben moeten wachten. UWV heeft, in overleg met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hiertoe besloten, omdat door de groeiende vraag naar sociaal-medische beoordelingen en de coronamaatregelen de vertragingen fors zijn opgelopen. UWV wil niet dat mensen hier de dupe van worden en in financiële problemen komen.”

Casus
Op 12 augustus 2020 vraagt betrokkene een WIA-uitkering aan. Omdat het lang duurt voordat die aanvraag in behandeling genomen kan worden, vraagt hij een WIA-voorschot aan dat op 22 oktober 2020 wordt toegekend. Maanden later, in augustus 2021, volgt het persbericht van het UWV waaruit blijkt dat voorschotten niet meer worden teruggevorderd. Tóch krijgt deze betrokkene op 24 december 2021 het bericht dat hij € 12.455,85 moet terugbetalen aan het UWV! Hij heeft namelijk een te hoog voorschot ontvangen. 

Oordeel rechtbank
In de uitspraak is te lezen dat bij de toekenning van het voorschot, de hoogte daarvan was gebaseerd op het WIA-maandloon minus de op dat moment bekende verdiensten. Bij de toekenning van de WIA-uitkering is echter gebleken dat de inkomsten van betrokkene in de voorschotperiode hoger waren dan bij het UWV bekend was. Hierdoor is de terugvordering ontstaan. De rechtbank vindt dat de toezegging van het UWV uit het persbericht (om niet terug te vorderen) niet van toepassing is in deze situatie. 

De bedoeling van de toezegging van het UWV was namelijk te voorkomen dat mensen met terugwerkende kracht geen inkomen zouden hebben. Die situatie is bij betrokkene niet aan de orde. Hij had immers wel inkomen naast het voorschot op zijn WIA-uitkering en is door de terugvordering ook niet in financiële problemen geraakt. Het UWV mocht dus het voorschot (deels) terugvorderen. 

Tip!
Krijg je op dit moment een WIA-voorschot van het UWV omdat je WIA-aanvraag nog niet in behandeling is genomen én heb je daarnaast inkomsten? Reken je niet rijk! Geef je inkomsten door aan het UWV zodat zij daarmee rekening kunnen houden bij de hoogte van het voorschot. Doe je dat niet? Dan kun je later alsnog geconfronteerd worden met een terugvordering van het voorschot.

Achtergrondinformatie Het persbericht van het UWV van 30 augustus 2021 vind je hier terug: https://www.uwv.nl/overuwv/pers/persberichten/2021/uwv-stopt-met-terugvorderen-wia-voorschotten.aspx

De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland kun je hier teruglezen: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3646

Interessant in de uitspraak is ook de overweging van de rechtbank met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel van betrokkene:

“Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De rechtbank ziet het algemene persbericht van het Uwv over het stoppen met terugvordering van WIA-voorschotten niet als een aan het Uwv toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging, waaraan eiser de rechtens te honoreren verwachting kan ontlenen dat zijn voorschot niet zou worden teruggevorderd. Het Uwv heeft eiser ook geen brief gestuurd waarin aan hem persoonlijk wordt meegedeeld dat in zijn geval wordt afgezien van terugvordering.”